Nicodemus

Naar Index
Voorwoord op Nicodemus. 
Hier is een gedetailleerd verslag van wat er vůůr Pilatus plaatsvond in aanwezigheid van Nicodemus. Het verslag van Nicodemus en de gebeurtenissen die volgden op de kruisiging met de Joden waarin Nicodemus aanwezig was of getuige van was. En met inbegrip van het verslag van de mannen die uit de dood waren opgestaan, zodat zij zouden getuigen van de afdaling van Christus in Hades. Waar toen brak Hij de staven van staal en de poorten van messing, en nam de schatten van de donkere plaatsen, net zoals Jesaja had voorspeld in de metafoor van de Zon, of Cyrus. 
Zo voorspelde Jona de driedaagse afdaling, en gaf een voorbeeld van wat er zou gebeuren, dus brak de Cyrus van God (Jezus) de poorten en nam de schatten uit de gewelven als een teken van wat Jesaja werkelijk profeteerde.

Hoofdstuk 1
Jezus beschuldigd. 
1. Anna's, Kajafas, Summas, Dathan, Damaliel, Judas en Levi. Nepthalim, Alexander, Cyrus en nog anderen gingen naar Pilatus over Jezus die Hem beschuldigde van vele slechte misdaden. 
2. En zij zeiden; "Er is ons verzekerd dat Jezus de zoon is van Jozef, de timmerman en geboren uit Maria, en dat Hij verklaart de Zoon van God en een koning te zijn. En niet alleen dit, maar Hij tracht de sabbat en de wetten van onze vaderen te ontbinden." 
3. En Pilatus antwoordde; "Wat verklaart Hij en probeert hij op te lossen?" En zij zeiden: "We hebben een wet die genezingen verbiedt op de dag van de sabbat, maar hij geneest zowel de kreupelen als de doven en degenen die getroffen zijn door verlamming en blinde mannen en melaatsen en ook demonisch op die dag door slechte methoden. 
4. Pilatus antwoordde toen; "Hoe kan Hij dit doen met slechte methoden?" Zij antwoordden; "Hij is een goochelaar en verstoten duivels door de prins van de duivels, en zo worden alle dingen onderworpen aan Hem". 
5. Toen zei Pilatus; "Duivels uitwerpen lijkt niet het werk van een onreine geest te zijn, maar eerder om uit de kracht van God te gaan." 
6. De Joden antwoordden toen; "Wij smeeken uwe Hoogheid om Hem op te roepen om voor uw tribunaal te verschijnen en uzelf hem te horen." 
7. Toen riep Pilatus een boodschapper die tot hem zei: "Met welke middelen dan ook, heb Christus hier gebracht." De boodschapper ging toen naar buiten en toen hij Hem kende, aanbad hij Hem en nadat hij zijn mantel op de grond had uitgespreid, zei hij; "Heer, loop hierop en ga naar binnen voor de gouverneur roept U." 
8. De Joden die toen waarnemen wat de boodschapper had gedaan, spraken tegen hem tot Pilatus en zeiden; "Waarom gaf hij Hem zijn oproep niet door een kever in plaats van een boodschapper." 
9. Want de boodschapper toen hij zag dat Hij Hem aanbad, en hij spreidde zijn mantel, die hij in zijn hand voor Hem had, en zei; "Heer, de gouverneur roept U." 
10. Toen riep Pilatus de boodschapper en zei; "Waarom deed je dat?" En de boodschapper antwoordde: "Toen u mij van Jeruzalem naar AlexandriŽ zond, zag ik Jezus als een groot figuur die op een kont zat, en het volk van de HebreeŽrs riep; Hosanna, en het houden van boughs van bomen in hun handen. 
11. En anderen spreidden hun kledingstuk in de weg en zeiden; behalve wij Die in de hemel zijn, gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.' 
12. Toen riepen de Joden tegen de boodschapper die zei; "De kinderen van de HebreeŽrs riepen in het Hebreeuws, hoe kun je dan als Griek het Hebreeuws begrijpen?" 
13. En de boodschapper antwoordde; "Ik vroeg een van de Joden wat het was dat ze uitriepen in de Hebreeuwse taal en hij legde het me uit; Ze schreeuwen; Hosanna, wat betekent; O Heer, red mij, o Heer, red. 
14. Toen zei Pilatus tot hen; "U getuigt zelf door uw stilzwijgen van de woorden die door de Mensen, in wat heeft de gezant dan verkeerd gedaan?" En ze waren stil. 
15. Toen zei de gouverneur tot de boodschapper: "Ga, en op welke manier dan ook, je zult Hem binnenbrengen." En de gezant ging en deed wat voorheen, en zei: "Kom Heer, want de gouverneur roept U." 
16. En terwijl Jezus ging en voorbijging door de dienaren die de normen hooghielden, bogen de toppen van deze zich neer en aanbaden Jezus, en om die reden spraken de Joden nog heviger tegen deze vaandrigs (vaandeldragers). 
17. Maar Pilatus zei tegen de Joden; "Ik weet dat het u niet bevalt dat de toppen van de normen van zichzelf buigen om Jezus te aanbidden, maar waarom woeden jullie tegen de vaandrigs alsof ze hadden gebogen en aanbeden?" 
18. Toen antwoordden zij op Pilatus; "We zagen de vaandrigs zelf buigen om Jezus te aanbidden." En de gouverneur riep de vaandrigs en zei tot hen; 
19. "Waarom deed je dat?" Maar zij antwoordden op Pilatus; "We zijn allemaal heidenen en aanbidden de goden in tempels, hoe zullen we er dan aan denken om Hem te aanbidden? Want wij hielden de normen in onze handen, maar zij van zichzelf bogen en aanbaden Hem." 
20. Toen zei Pilatus tegen de heersers van de synagoge: "Kies sterke mannen en laat hen de normen houden en we zullen zien of ze van zichzelf buigen". 
21. Dus zochten de oudsten van de Joden twaalf van de meest sterke en bekwame oude mannen op en zorgden ervoor dat ze de normen ophielden, en zo stonden ze in de aanwezigheid van de gouverneur. 
22. Toen zei Pilatus tegen de boodschapper: "Haal Jezus eruit en breng Hem op welke manier dan ook weer binnen." En Jezus en de boodschapper gingen de gang uit. 
23. En Pilatus riep de vaandrigs die eerder de normen hadden gedragen en zwoer hun dat als de normen niet zoals voorheen waren, dat ze ze daarom niet goed hadden vastgehouden en hij hun hoofden zou afhakken. 
24. Toen beval de gouverneur Jezus om weer binnen te komen, en de boodschapper deed wat hij eerder had gedaan, en hij behandelde Jezus veel dat hij op zijn mantel zou gaan om erop te lopen, en Hij liep erop en ging naar binnen. 
25. En toen Jezus naar binnen ging, boog hij zich voor zichzelf, net als voordat hij Hem aanbad, en toen Pilatus dit zag, was hij bang en stond hij op het punt uit zijn stoel op te staan. 
26. Maar terwijl hij dacht op te staan, kwam zijn vrouw, die op een afstand had gestaan, tot hem zeggen; "Heb niets te maken met deze rechtvaardige man, want ik heb veel geleden over Hem in een visioen deze nacht." 

Hoofdstuk 2 
Valse beschuldigingen. 
1. En toen de Joden dit hoorden, zeiden zij tot Pilatus; "Hebben wij jou niet gezegd dat Hij een tovenaar is? Zie, Hij heeft uw vrouw doen dromen."
2. Pilatus riep toen Jezus zei; "Gij hebt gehoord wat zij tegen U getuigen, hebt gij geen antwoord?" 
3. Jezus antwoordde toen; "Als zij niet de macht hadden om te spreken, zouden zij niet gesproken hebben, maar omdat iedereen zijn eigen tong beheerst om zowel goed als slecht te spreken, laat hem er dan naar kijken". 
4. Maar de oudsten van de Joden antwoordden en zeiden tot Jezus; "Waar zullen we naar kijken? Want in de eerste plaats weten wij dit over U dat U geboren bent door hoererij. 
5. En ten tweede dat vanwege Uw geboorte de kinderen in Bethlehem werden gedood, en ten derde dat Uw vader en moeder naar Egypte vluchtten omdat zij hun eigen volk niet konden vertrouwen. 
6. Maar sommige joden die toespraken, spraken gunstiger; 'We kunnen niet zeggen dat Hij uit ontucht is geboren, want we weten dat Zijn moeder Maria aan Jozef is begrond, en dat Hij dus niet uit ontucht is geboren.' 
7. Toen zei Pilatus tegen de Joden die Hem bevestigden geboren te zijn uit hoererij; "Uw account is niet waar sinds er een verloving was zoals zij van uw eigen natie getuigen." 
8. Toen spraken Anna en Kajafas met Pilatus. "De hele menigte van de mensen moet worden beschouwd als zij die zeggen dat Hij niet uit hoererij is geboren en dat Hij een tovenaar was, in plaats van zij die Hem verloochenen geboren te worden uit hoererij, omdat zij Zijn bekeerlingen en discipelen zijn.' 
9. Pilatus antwoordde toen aan Anna en Kajafas: "Wie zijn de bekeerlingen?" En zij antwoordden; "Zij zijn de kinderen van heidenen en worden geen Joden, maar volgelingen van Hem". 
10. Toen antwoordden Eleazar, Asterius, Antonius, Jakobus, Caras, Samuel, Isaak, Phinees, Crispus, Agrippa, Anna en Judas; "Wij zijn geen bekeerlingen, maar kinderen van Joden, en wij spreken de waarheid die aanwezig was toen Maria werd vertroeteld". 
11. Pilatus richtte zich toen tot deze twaalf mannen zei; "Ik tover u door het leven van Caesar dat u getrouw verklaart of Hij uit hoererij is geboren, en dat wat u met betrekking hebt waar is." 
12. Vervolgens antwoordden zij Pilatus; "We hebben een wet waarbij het ons verboden is om te zweren, het is een zonde, maar laten "hen" bij het leven van Caesar zweren dat het niet is zoals we hebben gezegd, en we zullen strijden om ter dood gebracht te worden." 
13. Toen zeiden Anna en Kajafas tegen Pilatus. Deze twaalf mannen zullen niet geloven dat we hem kennen om vals geboren te worden en een tovenaar te zijn, hoewel Hij zich voordoet als de Zoon van God en een koning waarvan we zo ver van hetzelfde geloven dat we zelfs beven om het te horen.' 
14. Toen beval Pilatus iedereen om naar buiten te gaan, behalve de twaalf mannen die hadden gezegd dat Hij niet uit hoererij was geboren, en nadat hij Jezus had geroepen om op afstand te worden teruggetrokken, zei hij tegen hen; "Waarom hebben de Joden het in hun hoofd om Jezus te doden?" 
15. Toen antwoordden zij hem; "Ze zijn boos omdat Hij genezingen verrichtte op de sabbatdag." En Pilatus zei; "Zullen zij Hem doden voor een goed werk?" En zij antwoordden: "Ja meneer". 

Hoofdstuk 3 
1. Toen ging Pilatus vol woede de zaal uit en zei tegen de Joden; "Ik roep de hele wereld op om te getuigen dat ik geen fout vind in deze Man." 
2. De Joden antwoordden toen: "Als Hij geen slecht persoon was, hadden wij Hem niet voor u gebracht."
3. Pilatus zei toen: "Neem Hem zelf en probeer Hem volgens je eigen wetten". Maar de Joden zeiden: "Het is niet legaal voor ons om iemand ter dood te brengen." 
4. Waarop Pilatus antwoordde; "Is het dan dat het bevel: U zult niet doden, behoort aan u, maar niet aan mij?" 
5. En hij ging weer de zaal in en nadat hij Jezus tot zichzelf had geroepen, zei hij; "Bent u de koning van de Joden?" En Jezus zei: "Spreekt u dit over uzelf, of hebben de Joden u dit over mij verteld?" 
6. Pilatus zei toen tegen Jezus; "Ben ik een Jood? De gehele natie en de heersers van de Joden hebben U aan mij overgeleverd, wat hebt Gij dan gedaan?" 
7. En Jezus antwoordde; "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld, als mijn koninkrijk van deze wereld was, dan zouden Mijn dienaren hebben gevochten, en ik zou niet aan de Joden zijn overgeleverd, maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier." 
8. Pilatus zei toen; "Zijt gij dan een koning?" Jezus antwoordde; "U zegt dat ik een Koning ben, daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen, en voor dit doel ben ik gekomen om te getuigen van de waarheid, en iedereen die van de waarheid is, hoort Mijn stem." 
9. Pilatus zei toen; "Wat is waarheid?" En Jezus zei: "De waarheid komt uit de hemel." Pilatus zei toen; "Is de waarheid dus niet op aarde?" 
10. Jezus antwoordde toen aan Pilatus; "Geloof dat de waarheid op aarde is onder hen die, wanneer zij de macht van het oordeel hebben, door waarheid worden beheerst en het juiste oordeel vormen." 

Hoofdstuk 4
Pilatus vindt geen fout. 
1. Toen liet Pilatus Jezus achter in de hal en ging naar de Joden en zei: "Ik vind geen fout in deze Jezus." 
2. De Joden zeiden toen; "Hij zei; Ik kan de tempel van God vernietigen en in drie dagen opbouwen. weer". Waarop Pilatus antwoordde: "Wat voor tempel is het waarover Hij sprak?" 
3. En de Joden zeiden; "Wat Salomo veertig jaar lang aan het bouwen was, zei Hij dat Hij zou vernietigen en in drie dagen weer zou bouwen." 
4. Pilatus zei toen tot hen; "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Man, kijk er zelf naar". De Joden zeiden toen; "Zijn bloed zit op ons en onze kinderen". 
5. Toen Pilatus de oudsten, de schriftgeleerden, de priesters en de Levieten bijeenriep, sprak hij tot hen in privť-gezegde; "Gedraag je niet zo, ik heb niets gevonden in jouw last over het genezen van zieke personen of het breken van de sabbat die de dood waardig is." 
6. De priesters en Levieten antwoordden toen aan Pilatus; "Als iemand het leven van Caesar heeft besemied, is hij de dood waardig, maar deze man heeft de Heer belasterd". 
7. Toen beval de gouverneur opnieuw de Joden om uit de hal te vertrekken en Jezus te roepen zei tot Hem; "Wat moet ik met U doen?" 
8. Jezus antwoordde hem: "Doe zoals het geschreven staat". En Pilatus zei; "Hoe staat het geschreven?" Jezus antwoordde; "Mozes en de profeten hebben geprofeteerd over Mijn lijden en Mijn opstanding." 
9. De Joden die dit nu hoorden, werden uitgelokt en spraken met Pilatus; "Waarom luister je nog langer naar de blasfemies van deze man?" 
10. Pilatus zei toen: "Als deze woorden je godslasterlijk lijken, neem je Hem en breng Je Hem naar je eigen hof en berecht Je Hem volgens je eigen wet". 
11. De Joden antwoordden toen aan Pilatus; "Onze wetten zeggen dat Hij verplicht zal zijn om veertig zweepslagen minder dan ťťn streep te ontvangen, en als hij daarna tegen de Heer zal blaffen, zal hij gestenigd worden." Pilatus zei toen; "Als die toespraak van Hem godslastering was, berecht hem dan volgens uw eigen wet". 
12. De Joden zeiden toen; "Onze wet beveelt ons om niemand ter dood te brengen, maar we willen dat Hij gekruisigd wordt omdat Hij de dood van het kruis verdient". Pilatus zei toen; "Het is niet gepast dat Hij gekruisigd wordt, laat Hem alleen geslagen en weggestuurd worden." 
13. En toen de gouverneur naar het volk en de joden keek die aanwezig waren, zag hij veel van de Joden in tranen, en hij zei tegen de overpriesters van de Joden; "Niet alle mensen verlangen naar Zijn dood." 
14. De oudsten van de Joden antwoordden toen; "Wij en alle mensen kwamen hier voor dit doel dat Hij zou sterven, omdat Hij zichzelf verklaart de Zoon van God te zijn, een Koning," 

Hoofdstuk 5
Getuigenissen. 
1. Maar een zekere Jood Nicodemus stond voor de gouverneur en zei; "Ik smeek u, o rechtvaardige rechter, dat u mij begunstigt met de vrijheid om een paar woorden te spreken."
2. En Pilatus zei: "Spreek verder". Nicodemus zei toen; "Ik sprak tot de oudsten van de Joden, de schriftgeleerden, priesters en Levieten, en tot de menigte in hun vergadering die zei; 
3. Wat ga je met deze man doen? Want Hij is een man die vele nuttige en glorieuze wonderen heeft verricht, zoals geen mens op aarde ooit heeft gedaan, noch ooit zal werken. Laat Hem gaan en doe Hem geen kwaad, want als Hij van God komt, zullen Zijn wonderen doorgaan, en als het van de mens is, zullen ze tot niets komen. 
4. Mozes, toen hij door God naar Egypte werd gezonden, deden de wonderen, die God hem voor Farao beval, en hoewel de tovenaars van dat land, Jannes, en Jambres wonderen verrichtten zoals Mozes deed, konden zij niet alles doen wat hij deed. 
5. En de wonderen, die de tovenaars verrichtten, waren zoals jullie schriftgeleerden en FarizeeŽn weten, niet van God, en zij die hen gemaakt hebben, stierven en allen die in hen geloofden. 
6. En laat deze man nu gaan, want de wonderen waarvoor u Hem beschuldigt zijn van God, en Hij is de dood niet waardig. 
7. De Joden zeiden toen tegen Nicodemus; "Worden jullie Zijn discipelen en houden jullie toespraken in Zijn voordeel?" Nicodemus zei toen tot hen; "Is de gouverneur ook Zijn discipel geworden en heeft hij voor Hem toespraken gehouden, heeft Caesar hem niet in die hoge post geplaatst?" 
8. Toen de Joden dit hoorden beefden zij en knarsen hun tanden naar Nicodemus en zeiden tot hem; "Moge u Zijn leer voor waarheid ontvangen, en uw lot met Christus hebben". 
9. Nicodemus antwoordde toen; "Amen, ik zal Zijn leer en mijn lot met Hem ontvangen, zoals u hebt gezegd." 
10. Toen stond een andere Jood op en wenste het vertrek van de gouverneur om hem een paar woorden te horen, en de gouverneur zei; "Spreek wat je in gedachten hebt". 
11. En hij zei; "38 jaar lang lag ik bij de schapenpoel in Jeruzalem te werken onder grote zwakheid, wachtend op een genezing die op bepaalde momenten komt wanneer een engel het water verstoort, en wie als eerste ingrijpt bij het verontrustend maken van het water, zou het geheel worden gemaakt van welke ziekte hij ook had. 
12. En toen Jezus mij daar zag lijden, zei Hij tot mij; Wil je heel gemaakt worden? En ik antwoordde; Meneer, ik heb geen man als het water onrustig is om me in het zwembad te stoppen. 
13. En Hij zei tegen mij; Sta op, neem je bed op en loop. En meteen werd ik heel gemaakt, en toen ik mijn bed opnam, liep ik." 
14. De Joden zeiden toen tot Pilatus; "O heer gouverneur, vraag hem op welke dag hij genezen was van zijn zwakheid." En de zwakken antwoordden; "Ik was op de sabbat." 
15. De Joden zeiden toen tot Pilatus; "Hebben wij u niet gezegd dat Hij Zijn genezingen op de sabbat verricht en duivels uitwerpt door de prins van de duivels?" 
16. Toen kwam een andere zekere Jood naar voren en zei; "Ik was blind, maar in staat om geluiden te horen, en terwijl Jezus verder ging, hoorde ik de menigte voorbij komen. 
17. En ik vroeg wat het was, en ze vertelden me dat Jezus langskwam, toen riep ik uit; Jezus Zoon van David heeft mij genadig, en Hij stond stil en beval dat ik tot Hem gebracht moest worden, en Hij zei tot mij; Wat wil je? 
18. Ik zei: Heer, opdat ik mijn zicht ontvang. En Hij zei tegen mij: Ontvang je zicht. En onmiddellijk zag en volgde ik Hem, zich verheugend en dankbaar." 
19. En een andere Jood kwam ook naar voren en zei; "Ik was een melaatse en Hij genas mij door slechts een woord te zeggen; Dat zal ik doen, schoon zijn. En onmiddellijk werd ik gereinigd van mijn lepra." 
20. En een andere Jood kwam naar voren en zei; "Ik buigde, en Hij maakte mij recht door Zijn woord". 
En een zekere vrouw genaamd Veronica zei; "Ik werd 12 jaar lang getroffen door een bloedkwestie, en ik raakte de zoom van Zijn kledingstuk aan en onmiddellijk stopte de kwestie van mijn bloed". De Joden zeiden toen; "We hebben een wet dat een vrouw niet als bewijs mag worden toegelaten." 
22. En na andere dingen zei een andere Jood. "Ik zag Jezus uitgenodigd worden voor een bruiloft met Zijn discipelen, en er was een gebrek aan wijn in Kana van Galilea, en toen de wijn allemaal werd geconsumeerd, beval Hij de dienaren dat ze zes van de potten die er waren met water moesten vullen. En zij vulden hen tot de rand, en Hij zegende hen en veranderde het water in wijn, en alle mensen dronken en waren verbaasd over Zijn wonder. 
23. En een andere Jood stond op en zei; "Ik zag Jezus onderwijzen in de synagoge in KafarnaŁm en er was een zekere man die een duivel had, en Hij riep uit: Laat me met rust wat heb ik te maken met U Jezus van Nazareth, zijt gij gekomen om ons te vernietigen? Ik weet dat U de heilige van God bent. 
24. En Jezus berispte hem door te zeggen; Houd uw vrede onreine geest, en kom uit deze man, en onmiddellijk kwam hij uit de man en deed hem helemaal geen pijn. 
25. De volgende dingen werden ook gezegd door een FarizeeŽr; "Ik zag dat er een groot gezelschap tot Jezus kwam uit Galilea en Judea en uit de zeekust en uit gebieden rond de Jordaan, en vele zwakke personen kwamen tot Hem, en Hij genas hen allen. 
26. En ik hoorde de onreine geesten tegen hem schreeuwen; Gij zijt de Zoon van God, en Jezus heeft hen ten strengste opgeladen dat zij Hem niet bekend zouden maken.' 
27. Hierna zei een andere persoon wiens naam Centurion was; "Ik zag Jezus in KafarnaŁm en ik behandelde Hem zeggend; Heer, mijn dienaar ligt thuis ziek van verlamming. 
28. En Jezus zei; Ik zal hem komen genezen. Maar ik zei; Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt, maar spreek alleen het woord en mijn dienaar zal genezen worden. 
29. En Jezus zei tegen hem; Ga uw weg, zoals u hebt geloofd, zo zij het u gedaan, en mijn dienaar werd genezen van datzelfde uur. 
30. Toen zei een zekere edelman. "Ik had een zoon in KafarnaŁm die op het punt van de dood was, en toen ik hoorde dat Jezus in Galilea was gekomen, ging ik hem behandelen dat Hij naar mijn huis zou komen en mijn zoon zou genezen, want hij was op het punt van de dood. 
31. Hij zei toen tegen mij; Ga jouw kant op, je zoon leeft, en mijn zoon werd genezen van datzelfde uur. 
32. Naast deze vele anderen van de Joden riepen zowel mannen als vrouwen uit en zeiden; "Hij is waarlijk de Zoon van God die alle ziekten geneest door slechts Zijn woord, en aan wie de duivels geheel onderworpen zijn." 
33. Nog enkele anderen zeiden; "Deze macht kan alleen van God uitgaan." En Pilatus zeide tot de Joden; "Waarom zijn de duivels niet onderworpen aan je dokters?" 
34. Sommigen van hen dan gezegd; "De kracht van het onderwerpen van duivels kan alleen van God uitgaan." Maar anderen zeiden tegen Pilatus dat Hij Lazarus uit de dood had opgewekt nadat hij vier dagen dood was geweest in zijn graf. 
35. De gouverneur hoorde dit toen in beven tegen de menigte van de Joden; "Wat zal het je opleveren om onschuldig bloed te vergieten?" 

Hoofdstuk 6 
De Joden roepen op tot kruisiging van Christus. 
1. Toen had Pilatus Nicodemus bijeengeroepen met de twaalf mannen die zeiden dat Jezus niet uit hoererij was geboren, zei tegen hen; "Wat zal ik doen om te zien dat er waarschijnlijk een tumult onder de mensen zal zijn?" 
2. En zij zeiden; "We weten het niet, laat ze ernaar kijken die het tumult verhogen." Pilatus riep toen de menigte opnieuw en zei; "Je weet dat je de gewoonte hebt dat ik je ťťn gevangene vrijlaat op het feest van het Pascha. 
3. Ik heb nu een bekende gevangene, een moordenaar wiens naam Barabbas is, en Jezus die Christus wordt genoemd in wie ik niets vind dat de dood verdient, welke van deze daarom in uw gedachten moet ik aan u vrijgeven?" 
4. En zij riepen allen uit en zeiden: "Laat Barabbas vrij " zei Pilatus toen tegen hen; " Wat moet ik dan doen met Jezus die Christus wordt genoemd?" En zij zeiden: "Laat Hem gekruisigd worden." 
5. En opnieuw riepen zij naar Pilatus; "U bent niet de vriend van Caesar als u deze man vrijlaat, want Hij heeft verklaard dat Hij de Zoon van God en een Koning is, maar u bent geneigd dat Hij Koning zou zijn en niet Caesar." 
6. Toen pilatus gevuld met woede zei tegen hen; "Jullie volk is altijd oprus geweest en jullie zijn altijd tegen hen die jullie van dienst zijn geweest." De Joden antwoordden toen; "Wie zijn degenen die ons van dienst zijn geweest?" 
7. En Pilatus antwoordde hen. "Uw God die u bevrijdde van de harde slavernij van de Egyptenaren en u door de Rode Zee bracht alsof het droog land was. En Hij voedde jullie in de wildernis met Manna en met het vlees van kwartels, en Hij bracht water uit de rots en gaf jullie een wet uit de hemel. 
8. U hebt Hem altijd uitgelokt, en wenste uzelf een gesmolten kalf en aanbad het offerend, en zei; Dit is het O IsraŽl van uw God, dat u uit het land Egypte heeft gebracht. Daarom was jouw God geneigd jullie te vernietigen, maar Mozes bemiddelde voor jullie en jullie God hoorde hem en vergaf jullie jullie ongerechtigheid. 
9. Daarna was je weer woedend en zou je je profeten Mozes en Ašron hebben gedood, maar ze vluchtten naar de tabernakel, je hebt altijd gemompeld tegen God en Zijn profeten. 
10. En Pilatus, voortkomend uit Zijn oordeelszetel, zou zijn uitgegaan, maar de Joden riepen allen; "We erkennen caesar als koning en niet Jezus. 
11. En vanwege deze persoon, zodra Hij werd geboren, kwamen wijzen en boden Hem geschenken aan, die toen Herodes ervan hoorde, hij zeer verontrust was en Hem zou hebben gedood, maar toen Zijn Vader wist dit, hij vluchtte met Hem en moeder Maria naar Egypte 
12. Herodes zou Hem echter gedood hebben toen hij hoorde dat Hij geboren was, want dienovereenkomstig zond en doodde hij alle kinderen die in Bethlehem waren en in alle kustgebieden daarvan en twee jaar oud en jonger. 
13. Toen Pilatus dit hoorde, werd hij bang en beval hij stilte onder de mensen die luidruchtig waren, en hij zei tegen Jezus: "Zijt gij daarom een Koning?" 
14. En de Joden antwoordden daarom op Pilatus; 'Hij is de persoon die Herodes wilde laten doden.'' 
15. En Pilatus die water nam, waste zijn handen in het zicht voor de mensen en zei; "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige persoon, kijk er zelf naar". 
16. De Joden antwoordden toen; "Zijn bloed is op ons en onze kinderen". Waarna Pilatus Jezus beval om voor hem gebracht te worden, en hij sprak tot Hem de volgende woorden. 
17. "Uw eigen natie heeft U aangeklaagd om Uzelf tot koning te maken, daarom veroordeel ik U tot hij die volgens de wet van de voormalige gouverneurs is geslagen. En dat Gij eerst gebonden en dan aan het kruis wordt opgehangen op de plaats waar Gij een gevangene zijt, en ook twee anderen met U wiens namen Dimas en Gestas zijn." 

Hoofdstuk 7
Jezus gekruisigd. 
1. Jezus werd toen uit de hal geleid en de twee dieven met Hem, en zij kwamen naar de plaats, die Golgotha wordt genoemd. Daar ontdaanen zij Hem van Zijn bestaansreden en omsingelden Hem met een linnen doek en legden een doornenkroon op Zijn hoofd en een riet in Zijn hand. 
2. En dienovereenkomstig deden zij dat met de twee dieven die met Hem werden gekruisigd, met Dimas aan Zijn rechterhand en Gestas aan Zijn linkerhand. 
3. Maar Jezus zei; "Mijn Vader vergeeft hen, want zij weten niet wat zij doen." En zij verdeelden Zijn kledeert, en op Zijn mantel werpen zij partij. 
4. Het volk stond ondertussen toe te kijken naar de overpriesters en de oudsten van de Joden die Hem bespotten en zeiden; "Hij redde anderen, laat Hem nu zichzelf redden als Hij kan. Als Hij de Zoon van God is, laat Hem dan van het kruis neerkomen. 
5. En de soldaten bespotten Hem ook, en met azijn en gal boden zij hem aan om te drinken, en zeiden tot Hem: "Als U koning van de Joden bent, verlost uzelf." 
6. Toen doorboorde Longinus, een zekere soldaat, die een speer nam Zijn zijde, en er kwam bloed en water tevoorschijn, en Pilatus had de titel op het kruis geschreven; Dit is de koning van de Joden, dit was in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. 
7. En een van de twee dieven gekruisigd met Jezus wiens naam Gestus was, zei tegen Jezus: "Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons". Maar degene aan de rechterkant antwoordde hem en zei: 
8. "Vreest u God niet, u die tot deze bestraffing veroordeeld bent? Want wij ontvangen inderdaad terecht en terecht de demerit van onze daden, maar deze Jezus, welk kwaad heeft Hij gedaan?" 
9. En na dit gekreun zei hij tegen Jezus; 'Heer, denk aan mij als U in Uw Koninkrijk komt.' 
10. En Jezus antwoordde hem en zei: "Voorwaar, Ik zeg u, deze dag zult u bij Mij in het Paradijs zijn". 

Hoofdstuk 8 
Duisternis op aarde. 
1. Het was nu ongeveer het zesde uur, en de duisternis kwam op de aarde tot het negende uur. En toen de zon werd verduisterd, zie, de sluier van de tempel werd van boven naar beneden gehuurd, en de rotsen waren ook huur, en de graven gingen open, en vele lichamen van hen die sliepen ontstonden. 
2. En rond het negende uur riep Jezus met luide stem: "Hely, Hely, Lama sabacthani." wat interpreteerde betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? 
3. En na deze dingen zei Jezus; 'Vader in Uw handen beveel ik Mijn Geest.' En het hebben van Hij zei dit en gaf de Geest op. 
4. Maar toen de centurion zag dat Jezus zo riep de Geest op te geven, verheerlijkte hij God door te zeggen; "Van een waarheid was dit een rechtvaardig man." 
5. En alle mensen die toekeken waren buitengewoon verontrust bij het zien, en nadenkend over wat voorbij was, smote ze op hun borsten en keerden terug naar de stad Jeruzalem. 
6. De centurion ging toen naar de gouverneur en had betrekking op hem alles wat er was gebeurd, en het horen van al deze dingen was hij buitengewoon bedroefd. 
7. En het bijeenroepen van de Joden zei hij tot hen; "Heb je het wonder gezien van de zonsverduistering en de andere dingen die gebeurden toen Jezus stervende was?" 
8. De Joden antwoordden toen Pilatus; "De zonsverduistering gebeurde volgens de gebruikelijke gewoonte." 
9. Maar al diegenen die Christus kenden, stonden op een afstand, net als de vrouwen die Jezus uit Galilea hadden gevolgd en al deze dingen aanschouwden. 
10. En een zekere man uit Arimathea genaamd Jozef, die ook een discipel van Jezus was, maar niet openlijk uit angst voor de Joden, kwam hij naar de gouverneur om hem verlof te geven om het lichaam van Jezus van het kruis te nemen, en de gouverneur gaf hem verlof. 
11. En Nicodemus kwam met een mengsel van mirre en aloŽ's, ongeveer honderd pond gewicht, en zij namen Jezus van het kruis met tranen, en bonden Hem met linnen doeken met specerijen volgens de gewoonte van het begraven onder de Joden. 
12. En zij plaatsten Hem in een nieuw graf dat Jozef had gebouwd en in de rotsen had laten uitsnijden, een graf waarin nooit iemand was geplaatst, en zij rolden een grote steen tegen de deur van het graf. 

Hoofdstuk 9
Joseph is gevangen genomen. 
1. Toen de onrechtvaardige Joden hoorden dat Jozef het lichaam van Jezus had gesmeekt en begraven, zochten ze nicodemus en de twaalf mannen die voor de gouverneur hadden getuigd dat Jezus niet uit hoererij was geboren, en andere goede personen die goede actie tegen Hem hadden getoond. 
2. Maar zij hadden zich allen verborgen uit vrees voor de Joden, behalve Nicodemus toonde zich aan hen en zei; "Hoe kunnen personen zoals jij de synagoge binnengaan?" 
3. De Joden antwoordden hem toen: "Maar hoe durf je de synagoge binnen te gaan als een verbonden met Christus? Laat jullie partij met Hem meegaan in de andere wereld." 
4. Nicodemus antwoordde hen; "Amen, zo mag het zijn dat ik mijn lot met Hem in Zijn koninkrijk heb". En op dezelfde wijze zei Jozef, toen hij tot de Joden kwam, tot hen; 
5. "Waarom ben je boos op mij omdat ik het lichaam van Jezus uit Pilatus wil? Zie, Ik heb Hem in mijn graf geplaatst en Hem in schoon linnen gewikkeld en een steen voor de deur van het graf geplaatst. 
6. Ik heb terecht jegens Hem gehandeld, maar u hebt onrechtvaardig gehandeld tegen deze rechtvaardige persoon door Hem te kruisigen en Hem azijn te geven om met doornen te drinken, en Zijn lichaam te scheuren met zwepen die de schuld van Zijn bloed op u brachten. 
7. De Joden die dit hoorden, waren verontrust en verontrust, en zij namen Jozef in beslag en bevalen hem om voor de sabbat in hechtenis te worden genomen en te worden vastgehouden totdat de sabbat voorbij was. 
8. En zij zeiden tot hem; "Belijdenis doen, want op dit moment is het niet geoorloofd om jullie kwaad te doen totdat de eerste dag van de week is aangebroken. Wij weten echter dat jullie geen begrafenis waardig zullen zijn, maar wij zullen jullie vlees geven aan de vogels van de lucht en het beest van de aarde." 
9. Jozef bij dit antwoord; "Die toespraak is als de toespraak van de trotse Goliath die de levende God vereerde door tegen David te spreken, maar jullie schriftgeleerden en dokters weten dat God door de profeten zei; Wraak is van mij, ik zal je terugbetalen gelijk aan wat je me hebt gedreigd 
10. De God die u aan het kruis hebt opgehangen, is in staat mij uit uw handen te verlosseren, al uw goddeloosheid zal op u terugkeren. 
11. Want de gouverneur toen hij zijn handen waste zei; Ik ben onschuldig aan het bloed van dit. persoon, maar je antwoordde en riep; Zijn bloed is op ons en onze kinderen, en zoals jullie gesproken hebben, mogen jullie ook voor eeuwig vergaan." 
12. De bevelen van de Joden die deze woorden hoorden, werden toen zeer woedend, en toen ze Jozef mee namen, plaatsten ze hem in een kamer waar geen raam was, en ze maakten de deur vast en plaatsten een zegel op het slot. 
13. En Anna's en Kajafas plaatsten er een wacht op, en namen de priesters en Levieten de raad dat zij allen na de sabbat bijeen zouden moeten komen om te bezweren tot welke dood zij Jozef zouden moeten brengen. 

Hoofdstuk 10 
Er zijn verslagen van de Heer opgestaan. 
1. Na dit alles, toen de heersers bij elkaar waren gekomen, bevalen Anna's en Kajafas jozef om naar voren te worden gebracht, maar toen ze Jozef gingen halen, was hij niet in de kamer. 
2. En toen de vergadering dit hoorde, droegen zij verbaasd omdat zij het zegel op het slot vonden, maar Jozef was niet te vinden. 
3. Toen ze allemaal in de war waren toen Jozef weg was, kwam er een van de soldaten die het graf van Jezus bewaakten en tegen de vergadering zeiden; 
4. "Terwijl wij het graf van Jezus bewaakten, was er een aardbeving, en wij zagen een engel van God de steen van het graf wegrollen en Hij zat erop, en zijn verschijning was als bliksem, zijn kleed als sneeuw, en wij door angst werden als dode personen. 
5. En we hoorden een engel tegen de vrouwen zeggen bij het graf van Jezus; wees niet bang dat ik weet dat je Jezus zoekt die gekruisigd is, Hij is opgestaan zoals Hij voorspelde. 
6. Kom en zie de plaats waar Hij werd gelegd, en ga en vertel de discipelen dat Hij uit de dood is opgestaan en Hij zal voor u naar Galilea gaan, daar zult u Hem zien zoals Hij u heeft verteld.' 
7. Toen riepen de Joden alle soldaten bijeen die het graf van Jezus hadden bewaard en tot hen hadden gezegd; "Wie zijn deze vrouwen tot wie de engel sprak en waarom hebben jullie hen niet gegrepen?" 
8. De soldaten antwoordden; "Wij weten niet wie de vrouwen waren, behalve dat wij als dode personen door vrees werden hoe konden wij dan de vrouwen grijpen?" De Joden zeiden toen tot hen; "Zoals de Heer leeft, geloven wij u niet." 
9. De soldaten die toen antwoordden, zeiden tegen de Joden; ''Toen je Jezus zoveel wonderen zag en hoorde verrichten, geloofde je Hem niet, hoe moet je ons dan geloven? Je hebt goed gesproken "zoals de Heer leeft", want de Heer leeft echt. 
10. We hebben gehoord dat u Jozef de mond snoert - die het lichaam van Jezus begroef in een kamer onder een verzegeld slot, en toen u het opende, vond u hem daar niet. 
11. Produceert u dan Jozef die u in de kamer bewaakt, en wij zullen Jezus voortbrengen die wij bij het graf bewaakten. 
12. De Joden antwoordden zeggend; "Wij zullen Jozef voortbrengen, en u zult Jezus voortbrengen". De soldaten antwoordden toen; "Als Jozef in Arimathea is - Jezus is in Galilea, want zo hoorden we de engel de vrouwen informeren." 
13. De Joden die dit hoorden waren toen bang en zeiden onder elkaar; als deze dingen op enigerlei wijze openbaar worden, zal iedereen in Jezus geloven. 
14. Ze verzamelden toen een grote som geld en gaven het aan de soldaten die ze zeiden. 'Vertel de mensen dat de discipelen van Jezus 's nachts kwamen toen je sliep en het lichaam van Jezus stal, en als Pilatus de gouverneur ervan hoort , zullen we hem bevredigen en je vrijspreken.' 
15. De soldaten namen toen het geld, en zij spraken zoals zij door de Joden werden geÔnstrueerd, en hun rapport werd verspreid over het volk. 
16. Maar een zekere priester Phinees, en Ada een schoolmeester, en een Leviet genaamd Ageus, deze drie kwamen van Galilea naar Jeruzalem en informeerden de overpriesters en allen die in de synagoge waren te zeggen; 
17. "We hebben Jezus gezien die u gekruisigd hebt door met Zijn discipelen te praten en in het midden van hen op de olijfberg te zitten en tot hen te spreken en te zeggen; 
18. Ga de hele wereld in, predik het evangelie aan alle volken die hen dopen in de naam van de Vader de Zoon en de Heilige Geest, en wie zal geloven en gedoopt zal worden, zal gered worden. 
19. En toen Hij deze dingen tot Zijn discipelen had gezegd, zagen we Hem opstijgen naar de hemel.' 
20. Toen daarom de overpriester en de oudsten deze dingen hoorden, zeiden zij tot deze drie mannen: "Geef glorie aan de God van IsraŽl en belijd Hem of deze dingen die u hebt gezien en gehoord waar zijn". 
21. En zij antwoordden; "Zoals de Heer van onze vaderen, de God van Abraham, Isaak en Jakob leeft, net zoals wij het aan u hebben gerelateerd, zo hoorden wij Jezus met Zijn discipelen spreken en zagen Hem opstijgen naar de hemel". 
22. En ze voegden deze woorden verder toe, als we niet waar zouden zijn in de woorden, die we Jezus hoorden spreken en Hem zien opstijgen, zullen we ons schuldig maken aan zonde. 
23. Toen stonden de overpriesters onmiddellijk op, en met de haak van de wet in hun handen toverden zij deze mannen die zeiden; 'Hierna zult u deze dingen die u over Jezus hebt gesproken niet meer verkondigen.' 
24. En zij gaven hen een grote som geld en stuurden andere personen met hen mee om hen naar hun eigen regio te leiden, zodat zij op geen enkele manier hun verblijf in Jeruzalem zouden maken. 
25. Toen verzamelden de Joden zich allen, en nadat zij de meest betreurenswaardige bezorgdheid hadden geuit, zeiden zij; Wat is dit extra gewone ding dat in Jeruzalem gebeurt? 
26. Maar Anna's en Kajafas troostten hen door te zeggen; "Waarom zullen wij de soldaten die het graf bewaakten geloven door ons te vertellen dat een engel de steen van de deur ervan rolde? 
27. Misschien vertelden Zijn eigen discipelen hen dit en gaven hen geld dat ze dat moesten zeggen, en namen ze zelf het lichaam van Jezus weg. 
28. Bedenk trouwens dat er geen eer te geven is aan buitenlanders omdat ze een grote som van ons hebben genomen, en ze hebben gesproken volgens de instructies die we hen hebben gegeven, ze moeten ofwel trouw zijn aan ons, of aan de discipelen van Jezus.' 

Hoofdstuk 11
Zoek naar Jezus. 
1. Toen stond Nicodemus op en zei; "Jullie spreken correct, o zonen van IsraŽl, jullie hebben gehoord wat die drie mannen hebben gezworen door de wet van God die zei; we hebben Jezus zien spreken met Zijn discipelen op de olijfberg en hem zien opstijgen in de hemel. 
2. En de Schrift leert ons dat de gezegende profeet Elia werd opgenomen: in de hemel, en toen de zonen van de profeten elisha vroegen: Waar is onze vader Elia? Hij zei tegen hen dat hij naar de hemel was opgenomen. 
3. Maar de zonen van de profeten zeiden; Misschien heeft de geest hem naar een van de bergen van IsraŽl gedragen en zullen we hem daar misschien vinden, en ze behandelden Elisa en hij wandelde drie dagen met hen, maar kon hem niet vinden, 
4. En hoor mij nu O zonen van IsraŽl, laten wij dan mensen de bergen van IsraŽl insturen, opdat de Geest Jezus niet heeft weggevoerd, misschien zullen wij Hem vinden en tevreden zijn.' 
5. En de raad van Nicodemus behaagde alle mensen, en zij zonden mensen uit die Jezus zochten, maar Hem niet konden vinden, en zij die terugkeerden zeiden; "We gingen overal heen, maar konden Jezus niet vinden, maar we vonden Jozef wel in zijn stad in Arimathea." 
6. De heersers en alle mensen die dit toen hoorden, waren blij en prezen de God van IsraŽl omdat Jozef werd gevonden die ze in een kamer hadden gesloten, maar hem niet konden vinden. 
Joseph komt terug om te getuigen. 
7. En toen zij een grote vergadering hadden gevormd, zei de overpriester; "Op welke manier zullen we Jozef naar ons toe brengen om met ons te spreken?" En ze namen een stuk papier mee dat ze hem schreven en zeiden: 
8. We weten dat we hebben beledigd tegen God en u, wees nu blij om ons te bezoeken uw vaders want we waren zeer verrast over uw ontsnapping uit de gevangenis. 
9. We weten dat het een kwaadwillige raad was die we tegen u hadden genomen, maar dat de Heer voor u zorgde en u van onze ontwerpen bevrijdde, vrede zij met u Jozef die eervol is onder allen de mensen." 
10. En zij kozen zeven vrienden van Jozef en zeiden tot hen: "Wanneer u tot Jozef komt, groet hem dan in vrede en geef hem deze brief." 
11. En de mannen die tot Jozef waren gekomen, deden dat, en Jozef die 
12. In de brief stond; "Gezegend zij de Here God die mij van de IsraŽlieten heeft verlost, opdat zij mijn bloed niet zouden vergieten". 
13. En Jozef kuste hen en nam hen mee naar zijn huis, en 's morgens zette hij zijn kont op en ging met hen mee naar Jeruzalem. 
14. En alle Joden die deze dingen hoorden, gingen naar buiten om hem te ontmoeten en zeiden; "Vrede woont uw komst hier toe vader Joseph." Waarop hij antwoordde; "Voorspoed van de Heer zorgt voor alle mensen". 
15. Op de ochtend toen zei de opperpriester tot Jozef; "Belijd de God van IsraŽl en beantwoord ons alle vragen die wij van u stellen, want wij zijn verontrust dat u het lichaam van Jezus hebt begraven, 
16. En ook dat toen wij u in een kamer hadden opgesloten, wij u niet konden vinden, en wij zijn sindsdien bang geweest dat u weer onder ons bent verschenen, vertel ons daarom voor God alles wat er gebeurd is. 
17. Toen zei Jozef; "Je hebt me inderdaad in opsluiting geplaatst, maar terwijl ik midden in de nacht aan het bidden was, kwamen er vier engelen en ik zag Jezus als de helderheid van de zon, en ik viel op mijn gezicht uit angst. 
18. Maar Jezus greep mijn hand vast en hief mij op, en dauw werd over mij gestrooid, en Hij die mijn gezicht afveegde kuste mij en zei; Vrees jozef niet, kijk naar Mij, want ik ben het. 
19. Toen keek ik naar Hem en zei; Rabboni Elias, maar Hij antwoordde mij, ik ben niet Elia, maar Jezus van Nazaret wiens lichaam u begraven hebt. 
20. En ik zei: "Toon mij het graf waarin ik U gelegd heb". En Jezus die mij bij de hand nam, leidde mij naar de plaats waar ik Hem had gelegd, en liet mij de linnen kleren en handdoek zien die ik om Zijn hoofd had gelegd. 
21. Toen wist ik dat het Jezus was en ik aanbad Hem en zei: "Gezegend zijt Gij die in de naam van de Heer komt". 
22. En Jezus die mij weer bij de hand nam, leidde mij naar Arimathea, naar mijn eigen huis, en zei tegen mij; "Vrede zij met u, maar ga niet uit uw huis tot de 40e dag, maar ik moet naar Mijn discipelen gaan." 

Hoofdstuk 12
De Joden op zoek naar de mysteries. 
1. Toen de opperpriester en Levieten deze dingen hoorden, waren ze verbaasd en vielen op hun gezicht en zeiden tegen elkaar: "Wat is dit buitengewone teken, dat in Jeruzalem zal gebeuren? 
2. We kennen de vader en moeder van Jezus, en een zekere Leviet zei; Ik ken veel van Zijn relaties, religieuzen die niet bereid zijn offers en brandoffers te brengen aan de God van IsraŽl in de tempel met gebeden. 
3. En toen de hogepriester Simeon Hem in zijn armen nam, zei hij tot Hem. Laat nu Uw dienaar in vrede vertrekken, Heer, want volgens Uw woord hebben mijn ogen Uw redding gezien die U hebt voorbereid voor het aangezicht van alle mensen, een licht om de heidenen te verlichten, en de glorie van Uw volk IsraŽl. 
4. En Simeon zegende op dezelfde manier Maria, de moeder van Jezus die tot haar zei; Ik verklaar u over dit kind; Hij wordt aangesteld voor de val en de wederopstand van velen en voor een teken dat tegen hem zal worden uitgesproken. 
5. Ja, en een zwaard zal uw ziel doorboren, en de gedachten van vele harten zullen geopenbaard worden. 
6. Toen zeiden de Joden; "Laten wij die drie mannen die zeiden dat zij Hem met Zijn discipelen op de Olijfberg zagen praten, gezonden hebben." 
7. En nadat zij hen hadden gezonden en hen hadden gevraagd wat zij hadden gezien, antwoordden zij met ťťn overeenstemming dat zij Jezus duidelijk met Zijn discipelen zagen praten en naar de hemel opstegen. 
8. Toen namen Anna's en Kajafas ze apart en onderzochten ze afzonderlijk, maar ze biechtten unaniem de waarheid op. Toen zeiden Anna en Kajafas; "Onze wet zegt dat door de mond van twee of drie getuigen elk woord zal worden vastgesteld. 
9. Maar wat hebben we gezegd? De gezegende Henoch behaagde God en werd vertaald door het woord van God, en de begraafplaats, van de gezegende Mozes is onbekend. 
10. Maar Jezus werd aan Pilatus overgeleverd, geslagen, gekroond met doornen, bespuugd, doorboord met een speer, gekruisigd, gestorven aan het kruis, en werd begraven, en Zijn lichaam werd begraven door Jozef in een nieuw graf, en toch getuigde hij dat hij Hem levend zag. 
11. En bovendien verklaarden deze mannen dat zij Hem met Zijn discipelen zagen praten op de olijfberg en opstegen naar de hemel.'' 
12. Toen stond Jozef op en zei tegen Anna en Kajafas: "U kunt terecht onder een grote verrassing staan om te horen dat Jezus leeft en naar de hemel is gegaan. 
13. Het is inderdaad echt verrassend dat Hij niet alleen zelf uit de dood opkomt, maar ook anderen uit hun graven verhief die door velen in Jeruzalem zijn gezien. 


De zonen van Simeon zijn opgestaan. 
14. Luister dan, want we kenden allemaal Simeon, de hogepriester die Jezus als een kind in zijn armen in de tempel nam, en deze Simeon had zelf twee zonen, en we waren allemaal aanwezig bij hun dood en begrafenis. 
15. Maar ga nu hun graven zien, want ze zijn open en ze zijn opgestaan en zijn in de stad Arimathea die hun tijd samen doorbrengen in toewijding. 
16. Sommigen hebben dan hun stem gehoord in gebed, maar ze zullen niet met elkaar spreken, maar doorgaan als stomme personen. 
17. Laten we dan met alle respect en voorzichtigheid naar hen toegaan, en misschien zullen ze ons de mysteries van hun opstanding vertellen. 
18. En de Joden die dit hoorden verheugden zich erover, toen gingen Anna's Kajafas, Nicodemus, Jozef en Gamaliel naar Arimathea, en vonden hen niet in hun graven, maar vonden hen wandelend in de stad. 
19. En nadat zij hen hadden gegroet, kwamen zij naar Jeruzalem en brachten hen ertoe hun handen op het boek van de wet van de Heer te leggen, zeiden zij. 'Als je Hem gelooft die je uit de dood heeft opgewekt om Jezus te zijn, vertel ons dan wat je hebt gezien en hoe je uit de dood bent opgewekt.' 
20. Charinus, en Lenthius toen, de twee zonen van Simeon, zeiden: "Geef ieder van ons wat papier, en wij zullen voor u opschrijven wat wij hebben gezien."

Hoofdstuk 13 
Het verhaal in de duisternis. 
1. Ze baden toen; "O Heer Jezus en Vader, die God en de opstanding en het leven van de doden bekunsten, geef ons verlof om Uw mysteries te verkondigen die wij na de dood van Uw kruis zagen, want wij zijn gezworen bij Uw naam. 
2. Want U hebt Uw dienaren verboden om de geheime dingen te verkondigen die door Uw goddelijke kracht in de hel zijn gedaan. 
3. Toen we bij onze vaders in de diepte van de hel werden geplaatst, in de zwartheid van de duisternis, verscheen er plotseling een gouden licht zoals dat van de zon. 
4. En Adam met alle patriarchen en profeten verheugde zich onmiddellijk en zei. Dit licht is de Auteur van eeuwig licht die beloofde ons te vertalen naar eeuwig licht. 
5. En Jesaja zei; Dit is het licht van de Vader en van de Zoon van God, zoals ik profeteerde toen ik op aarde was en zei; 
6. Het land Zebulon en het land Nepthalim voorbij JordaniŽ, een volk dat in de duisternis wandelde - een groot licht zag, en voor hen die in het gebied van de schaduw des doods woonden - is licht ontstaan, en nu is Hij gekomen en verlicht ons die in de dood zitten. 
7. En terwijl wij ons allen verheugden over het licht dat op ons scheen, kwam onze vader Simeon ons feliciteren en zei; Verheerlijk de Heer Jezus Christus, de Zoon van God. 
8. Die ik in mijn armen nam toen hij als kind in de tempel was, en ik werd bewogen door de Heilige Geest zei; dat nu mijn ogen Uw redding hebben gezien. 
9. Hierna kwam er een als een kluizenaar tevoorschijn, en iedereen vroeg het hem; Wie ben je?? Waarop hij antwoordde; Ik ben de stem van iemand die huilt in de wildernis, Johannes de Doper, en profeet van de Allerhoogste die voor Zijn komst ging om Zijn weg voor te bereiden, om de kennis van verlossing aan Zijn volk te geven voor de vergeving van zonden. 
10. En ik Johannes toen ik Jezus tot mij zag komen, bewogen door de Heilige Geest, zei ik; Aanschouw het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt. 
11. En ik doopte Hem in de rivier de Jordaan, en zag de Heilige Geest op Hem neerdalen in de vorm van een duif, en hoorde een stem uit de hemel zeggen; dit is Mijn geliefde Zoon in wie ik zeer tevreden ben. 
12. En nu, terwijl ik voor Hem ging, kwam ik hier om u te laten weten dat de Zoon van God ons de volgende keer zal bezoeken, en als dageraad van hoog zal Hij tot ons komen die in duisternis en de schaduw van de dood zijn. 

Hoofdstuk 14 
Satan spreekt met de hoofddirecteur. 
1. Toen de heiligen zich aldus verheugden, zei Satan, de prins en kapitein des doods tot de prins van Hades; 
2. Bereid je voor om Jezus van Nazaret te ontvangen die opschepte dat Hij de Zoon van God was, en toch een man was die bang was voor de dood en zei; Mijn ziel is bedroefd, zelfs tot de dood. 
3. Bovendien deed Hij mij vele verwondingen, voor hen die ik blind en kreupel maakte, en degenen die ik met verschillende duivels kwelde, deze Genas Hij door Zijn woord, en zelfs zoals Ik jullie dood bracht, nam Hij met geweld weg. 
4. En hierop antwoordde de prins van Hades; "Wie is deze prins zo machtig en toch een man om bang te zijn voor de dood? Want alle potentaten van de aarde zijn onderworpen aan mijn kracht die u in mijn onderwerping bracht. 
5. Als Hij dan zo machtig is in Zijn menselijke natuur, vertel ik u voor een waarheid dat Hij almachtig is in Zijn goddelijke natuur en dat niemand Zijn kracht kan weerstaan. 
6. Toen Hij daarom zei dat Hij bang was voor de dood - Hij was alleen ontworpen om je te strikken, en hoe ongelukkig dit voor je zal zijn in eeuwige tijden. 
7. Toen antwoordde Satan; "Waarom heb je twijfel geuit en ben je bang om die Jezus van Nazaret zowel van mij als van jou tegenstander te ontvangen? Wat mij betreft, ik verleidde Hem en wekte mijn oude volk de Joden op met ijver en woede tegen Hem. 
8. Ik slijpde de speer voor Zijn lijden, ik mengde de gal en azijn, en beval dat Hij het moest drinken, ik bereidde het kruis voor om Hem te kruisigen, en de nagels om Zijn handen en voeten te doorboren. En nu Zijn dood nabij is, zal Ik Hem hier brengen, onderworpen aan zowel u als mij. 
9. Toen antwoordde de prins van Hades; "U zei zojuist tegen mij dat Hij de doden met geweld van mij heeft weggenomen, wie is dan deze Jezus die door Zijn woord de doden van mij heeft weggenomen? 
10. Misschien is Hij dezelfde die Lazarus wegnam nadat hij vier dagen dood was geweest, van wie ik bezit had als een dood persoon, maar Hij bracht hem weer tot leven door Zijn macht. 
11. Satan antwoordde toen; "Het is precies dezelfde persoon." die toen de prins van Hades het hoorde tegen hem zei; "Ik zal u bij de machten die van u en mij zijn, zeggen dat u Hem niet tot mij brengt. 
12. Want toen ik hoorde van de kracht van Zijn woord beefde ik uit angst, en al mijn ondoordringbare gezelschap werd ook verstoord. Noch waren wij in staat Lazarus vast te houden, Hij gaf zichzelf een schok en met alle tekenen van boosaardigheid ging hij onmiddellijk van ons af, en de aarde waarin zijn dode lichaam zich bevond, maakte hem levend. 
13. Ik weet dan dat Hij de Almachtige God is, die alleen zulke dingen kan verrichten, die machtig is in heerschappij, en machtig in de menselijke natuur, die de Heiland van de mensheid is. 
14. Breng Hem daarom niet hier, want Hij zal al diegenen die ik nu in de gevangenis heb onder ongeloof en gebonden met de boeien van hun zonden in vrijheid stellen, en zal hen tot het eeuwige leven leiden.' 


De Heer Jezus arriveert. 
15. En terwijl Satan en de prins van Hades zo met elkaar spraken, was er plotseling een stem als donder en het gehaast van de wind die zei. "Hef uw poorten op, o prinsen, en word opgeheven o u eeuwige poorten, en de Koning der Heerlijkheid zal binnenkomen." 
16. En de prins van Hades die dit hoorde, zei tegen Satan; "Vertrek van mij, ga weg uit mijn bewoning, en als je een machtige krijger bent, vecht dan met de Koning van glorie. Maar wat hebben jullie dan met Hem te maken?" 
17. En de prins zei tegen zijn officieren; "Sluit de poorten van wreedheid, en maak ze snel met ijzeren staven, en vecht moedig opdat we niet gevangen worden genomen". 
18. Maar toen het gezelschap van heiligen dit hoorde, spraken ze met een luide stem van woede tegen hem: "Open uw poorten zodat de Koning van glorie binnen kan komen". 
19. En David de profeet zei; "Heb ik niet op aarde gezegd dat de mensen de Heer zouden prijzen voor Zijn goedheid en voor Zijn prachtige werken aan de mensenkinderen? 
20. Want Hij heeft de poorten van messing gebroken en de ijzeren staven in de sunder gesneden, Hij heeft ze genomen vanwege hun ongerechtigheid, en vanwege hun ongerechtigheid worden zij getroffen.'' 
21. Hierna zei Jesaja; "Heb ik niet terecht geprofet wat gezegd toen ik op aarde was? De doden zullen leven en zij die in hun graven zijn, zullen weer opstaan. 
22. En zij op aarde zullen zich verheugen, want de dauw die van de Heer is, zal hen bevrijding brengen.' En nogmaals; "O dood waar is uw overwinning, o dood waar is uw angel?" 
23. En de heiligen zeiden opnieuw tot de prins van Hades; "Open nu uw poorten, en neem uw ijzerstaven weg, voor nu zult u gebonden zijn en geen macht hebben " 
24. Toen was er een grote stem die zei; "Hef uw poorten op, o prinsen, en laat u optillen, jullie poorten van Hades en de Koning der Heerlijkheid zal binnengaan." 
25. En de prins van Hades die waarneembaar was dat dezelfde stem werd herhaald, riep uit alsof hij onwetend was geweest en zei: "Wie is de Koning der heerlijkheid?" 
26. David antwoordde toen aan de prins van Hades; "Ik begrijp de woorden van die stem, want ik sprak ze door Zijn Geest toen ik op aarde was. Ik zeg u, het is de Heer sterk en machtig, de Heer machtig in de strijd, Hij is de Koning van glorie, Hij is de Heer in de hemel en op aarde. 
27. Hij heeft naar beneden gekeken om het gekreun van de gevangenen te horen om degenen die ter dood zijn benoemd in vrijheid te stellen, en zo opent u de ondoordringbarde prins van Hades uw poorten opdat de Koning der heerlijkheid binnen mag gaan. 
28. En terwijl David zo sprak, verscheen de Heer in de vorm van een man en verlichtte die plaatsen, die ooit eerder in duisternis waren geweest. 
29. En Hij brak onder de boeien, die voorheen niet konden worden gebroken, met Zijn onoverwinnelijke macht Bezocht Hij hen die in de diepe duisternis zaten door ongerechtigheid, en in de schaduw van de dood door zonde. 

Hoofdstuk 15
De Heer ontneemt de dood de macht. 
1. De dood en haar wrede officieren die deze dingen hoorden, werden vervolgens met angst gegrepen in hun verschillende koninkrijken, want ook zij zagen de leegte van het licht en Christus verschijnen in hun bewoning.
2. En zij riepen; "Gij lijkt van plan ons te verwarren voor onze heer, die Gij zijt die geen teken van corruptie heeft, maar eerder een heldere verschijning die op zichzelf het volledige bewijs is van Uw grootheid waarvan U geen aandacht lijkt te hebben? 
3. Wie bent Gij zo machtig, en zo zwak, zo groot en zo weinig, een man en toch een soldaat van de eerste rang die het bevel kan voeren in de vorm van een dienaar als een gewone soldaat? 
4. Bent U de Koning van glorie, levend, maar dood eens gedood aan het kruis? Gij die dood in het graf lag en tot ons tot leven bent gekomen, en in Uw dood beefden alle schepselen, en de sterren waren 
bewogen, en nu hebt U vrijheid onder de doden, en stoort onze legioenen. 
5. Wie bent U die de gevangenen vrijlaat die door de zonde in ketenen werden gehouden om hen in hun vroegere vrijheid te brengen, U die zo'n goddelijk licht verspreidt over hen die verblind waren door de duisternis van de zonde?" 
6. En zo werden ook alle legioenen van de duivel met vrees gegrepen, en gezegd; "Vanwaar zijt Gij O Jezus, dat Gij een man zijt, zo machtig en glorieus in majesteit, zo helder dat hij geen plek heeft, en zo rein dat hij geen misdaad heeft? 
7. Want die lagere wereld van de aarde die tot nu toe aan ons onderworpen was, en van waaruit we hulde ontvingen, heeft ons nog nooit zo'n dode man gestuurd. 
8. Wie bent daarom Gij die met zoveel moed onze woning binnengaat, en niet alleen bang is om ons te bedreigen met de grootste straffen, maar ook probeert alle anderen te redden van de ketenen waarin wij hen vasthouden? 
9. Misschien bent u die Jezus van wie Satan zojuist tot onze prins sprak dat U door de dood van het kruis op het punt stond de kracht van de dood te ontvangen.' 
10. Toen vertrapte de Koning van heerlijkheid de dood, en greep de prins van Hades hem van zijn macht, en Hij nam onze vader Adam met Hem mee naar heerlijkheid. 
De prins van Hades verdurkt Satan. 
11. Toen zei de prins van Hades met grote verontwaardiging tot Satan; "O, prins van vernietiging, auteur van BeŽlzebub nederlaag en verbanning, de minachting van Gods engelen en afkeer door alle rechtschapen personen, wat heeft u ertoe aan gedaan om zo te handelen? 
12. Je zou de Koning van glorie kruisigen en beloofde ons een groot voordeel door Zijn vernietiging, maar als dwaas was je onwetend over waar het over ging. 
13. Want zie, nu die Jezus van Nazaret met de helderheid van Zijn glorieuze goddelijkheid al onze machten van duisternis en dood aan het vliegen zet. 
14. Hij heeft onze gevangenis van boven naar beneden afgebroken en alle gevangenen ontslagen, alles wat gebonden was vrijgelaten, en alles wat vroeger kreunde onder het gewicht van hun kwellingen beledigt ons nu. 
15. Onze heerschappijen zijn onderworpen, en geen enkel deel van de mensheid is nu in onze onderwerping, maar ze trotseren ons allemaal moedig, hoewel de doden zich nooit onbeschaamd tegenover ons durfden te gedragen, noch dat gevangenen ooit vrolijk konden zijn. 
16. O Satan, prins van alle goddelozen, vader van de onvoorzichtige en verlatenen, waarom probeerde u deze exploit te zien dat onze gevangenen tot nu toe altijd zonder de minste hoop op redding en leven waren? 
17. Maar nu is er geen van hen die kreunt, noch is er de minste blijk van een traan in een van hun gezichten. O prins Satan, u grote bewaarder van de helse gebieden, alle voordelen die u hebt verworven door de verboden boom, en het verlies van het Paradijs dat u nu hebt verloren door het hout van het kruis. 
18. Al je geluk verviel toen je de Koning van glorie kruisigde. Jullie hebben tegen jullie eigen belang en tegen het mijne gehandeld, zoals jullie spoedig zullen waarnemen door de grote kwellingen en oneindige straffen, die jullie op het punt staan te ondergaan. 
19. O Satan prins van alle kwaad, auteur van de dood, en bron van alle trots, u had eerst moeten onderzoeken naar de slechte misdaden van de Jezus van Nazaret, dan zou u hebben vastgesteld dat Hij schuldig was aan geen schuld die de dood waardig was. 
20. Waarom waagde u zich zonder reden of gerechtigheid om Hem te kruisigen en heeft u in onze regio's een rechtvaardig en onschuldig persoon neergehaald waardoor alle onrechtvaardige personen van de hele wereld verloren gingen?" 
21. En terwijl de prins van Hades zo tot Satan sprak, zei de Koning van heerlijkheid tegen BeŽlzebub, de prins van Hades: "Satan de prins zal voor altijd onderworpen zijn aan uw heerschappij in de plaats van Adam en zijn rechtvaardige zonen die van Mij zijn." 

Hoofdstuk 16
1.
Toen strekte Jezus Zijn hand uit en zei: "Kom tot Mij allen Mijn heiligen die naar Mijn beeld geschapen zijn, die veroordeeld werden door de boom van verboden vruchten en door de duivel en de dood. 
2. Leef nu door het hout van het kruis, want de duivel, de prins van deze wereld wordt overwonnen, en de dood wordt overwonnen, " 
3. Toen werden alle heiligen, verenigd onder de hand van de Allerhoogste God, en de Heer Jezus greep de hand van Adam en zei tot hem; "Vrede zij met u en al uw rechtvaardige nageslacht dat van mij is." 
4. Toen zei Adam die aan de voeten van Jezus viel in tranen tot Hem; "Ik zal U prijzen, o Heer, want U hebt mij opgetild en mijn vijanden niet gemaakt om zich over mij te verheugen. O Heer, mijn God, ik heb tot U gehuild en U hebt mij genezen. 
5. Gij hebt mijn ziel uit het graf gebracht en mij in leven gehouden, opdat ik niet naar de put zou gaan. Zing tot de Heer al jullie heiligen van Hem, en dank hem bij de herdenking van Zijn heiligheid, want zijn woede duurt maar even, maar in Zijn voordeel is het leven.'

 
Het Paradijs ingaan. 
6. Toen bracht de Heer die Adam bij de hand hield hem aan MichaŽl de aartsengel, en hij leidde hem naar het Paradijs, vervuld van barmhartigheid en heerlijkheid. 
7. En twee zeer oude mannen ontmoetten hen en werd gevraagd wie zij waren dat zij niet in Hades waren geweest, maar met hun lichamen in het Paradijs waren geplaatst. 
8. En een van hen antwoordde; "Ik ben Henoch die vertaald werd door het woord van God, en deze man met mij is Elia de Tishbite die vertaald werd in een vurige strijdwagen. 
9. Hier zijn we geweest en hebben we de dood niet geproefd, maar we moeten terugkeren bij de komst van de antichrist, en we zullen gewapend zijn met goddelijke tekenen en wonderen om met hem in de strijd aan te gaan. Dan gedood worden door hem in Jeruzalem, en na drie en een half weer levend in de wolken worden opgenomen". 
10. En terwijl Henoch en Elia dit met elkaar in verband hielden, kwam er een man van een ellendige figuur die het teken van het kruis op hem droeg. En de heiligen die hem zagen zeiden tegen hem: "Wie ben jij? Want jullie verschijning is als die van een dief, waarom hebben jullie deze kruismunten bij je?" 
11. Hij antwoordde toen; "U spreekt juist, want ik was een dief die allerlei goddeloosheid op aarde beging, en de Joden kruisigden mij. 
En ik observeerde de dingen, die plaatsvonden in de kruisiging van de Heer Jezus, ik geloofde dat Hij de Schepper van alle dingen was en de Almachtige Koning. 
13. En ik bad tot Hem en zei: Heer, denk aan mij als U in Uw koninkrijk komt. En Hij beschouwde mijn smeekbede en zeide tot mij: Voorwaar, Ik zeg u, deze dag zult u bij Mij in het Paradijs zijn. 
14. En Hij gaf mij dit teken van het kruis zeggen; Draag dit en ga naar het Paradijs, en als de engel die het Paradijs bewaakt jullie niet zal toelaten, toon hem dan het teken van het kruis en zeg tot hem: Jezus Christus, die nu gekruisigd is, heeft mij naar u gezonden. 
15. En toen ik dit deed, en de engel deze woorden hoorde, opende hij nu de poorten en stelde mij voor, en plaatste mij aan de rechterhand van het Paradijs. 
16. En zei; Blijf hier een beetje tot Adam, de vader van de hele mensheid, binnen zal gaan met al zijn zonen die de heilige en rechtvaardige dienaren van Jezus Christus zijn die gekruisigd zijn.' 
17. En toen zij al dit verslag hoorden, zeiden zij met ťťn stem; "Gezegend zijt Gij God, Vader van de eeuwige goedheid, en van barmhartigheid, die zo'n gunst heeft betuigd aan hen die zondaars tegen Hem waren en hen tot de genade van het Paradijs heeft gebracht. 
18. En heeft hen te midden van Uw grote en geestelijke voorzieningen geplaatst in een geestelijk en heilig leven, amen". 

Hoofdstuk 17 
1. Dit zijn de goddelijke en heilige mysteries die we zagen en hoorden, ik Charinus en Lenthius mogen de andere mysteries van God niet verklaren zoals de aartsengel Michael ons beval. 
2. Zeggen; u zult met mijn broeders naar Jeruzalem gaan en in gebed doorgaan met het verklaren en verheerlijken van de opstanding van Jezus Christus, aangezien Hij u tegelijkertijd met Zichzelf uit de dood heeft doen opstaan.
3. En je zult met niemand praten, maar als domme mensen zitten totdat de tijden komen dat de Heer je toestaat om de mysteries van Zijn goddelijkheid te relateren 
4. De aartsengel MichaŽl beval ons verder om verder te gaan dan JordaniŽ naar een uitstekend en dik land waar velen samen met ons uit de dood opstonden voor het bewijs van de opstanding van Christus.
5. Want wij hebben ons slechts enkele dagen toegestaan uit de dood, die opkomen om het Pascha van onze Heer te vieren, en om ons getuigenis voor Christus de Heer te dragen, en zijn gedoopt in de rivier de Jordaan, en nu worden zij niet gezien door 
6. Dit is zoveel als God ons toestaat om ons met u te verhouden, daarom lof en eer aan Hem te geven en ons te bekeren, en Hij zal genade met u hebben. Vrede zij met u van de Here God Jezus Christus en de Heiland van ons allen. Amen.