HET LIED
Van de drie heilige kinderen. 
Ananias, Azarias en Michael. 

P32   Naar Index

Hoofdstuk 1 
1. En zij zouden in het midden van het vuur worden geworpen, toen bad Azarias en prees God zeggend; 
2. "Gezegend zijt Gij Heer God van onze vaderen, Uw naam is het waard om voor altijd geprezen en verheerlijkt te worden, want U zijt rechtvaardig in alle dingen die U voor ons hebt gedaan. 
3. Ja waar zijn Uw werken, Uw wegen zijn juist en al Uw oordelen waarheid in alles wat U ons hebt gebracht en op Jeruzalem de heilige stad van onze vaderen. 
4 U hebt het oordeel uitgevoerd op basis van waarheid en gerechtigheid, U hebt al deze dingen over ons gebracht vanwege onze zonden, want wij hebben gezondigd door ongerechtigheid te begaan, vertrekkend van U. 
5. Wij hebben in alle dingen overtredingen gemaakt door Uw geboden niet te gehoorzamen, daarom hebt U al deze dingen over ons gebracht in het ware oordeel, ons in de handen van wetteloze vijanden, haatdragend, verlaten van God. 
6. En nu kunnen wij onze monden niet openen vanwege de schaamte en verwijten aan Uw dienaren, aan hen die U aanbidden. 
7. Maar o Heer Verlos ons nu omwille van Uw naam, vernietig Uw verbond niet, laat Uw genade niet van ons afwijken, zelfs niet omwille van Abraham en omwille van Uw dienaar Isaak. 
8. En voor Uw heilige dienaar IsraŽl aan wie U beloofde dat U zijn zaad zou vermenigvuldigen als de sterren van de hemel en als het zand dat aan de kust ligt. 
9. Want wij, Heer, worden deze dag minder dan enig volk vanwege onze zonden, noch wordt er een prins aan ons of profeet of leider nagelaten, noch brandoffers, noch oblations of een plaats om voor U te offeren om genade te vinden. 
10. Aanvaard ons Heer in een berouwvol hart en nederige geest, zoals als stieren en de duizenden dikke lammeren van brandoffers, dus laat ons offer deze dag in Uw ogen zijn. 
11. Geef ons toe dat wij geheel achter U aan zullen gaan, want zij zullen niet verward zijn, die hun vertrouwen in U stellen. 
12. Voor nu zoeken wij U met heel ons hart, en vrezen Uw naam, zetten ons niet te schande, maar handelen met ons af volgens Uw liefdevolle vriendelijkheid. 
13. Verlos ons volgens Uw wonderbaarlijke werken, en geef glorie aan Uw naam, laat al deze zich schamen die ervoor zorgen dat uw dienaren gekwetst worden door hun macht en macht. 
14. Laat hun kracht gebroken worden, o Heer, laat hen weten dat U Heer zijt, de enige God die rechtvaardig is over de hele wereld.' 


De mannen wiernen in het vuur. 
15. En de dienaren van de koning hielden op de oven niet te verwarmen met harshoogte en teer en klein hout totdat de vlam ver over de oven opkwam, en het verbrandde de ChaldeeŽrs, die de mannen in de oven zetten. 
16. Maar een engel des Heren kwam neer in de oven met Azarias en zijn metgezellen die de vlammen van het vuur sloegen en het midden daarvan maakten als een koele vochtige wind, zodat het vuur hen niet raakte, noch deed het hen pijn of verontrustte het hen. 
De lof is beter dan alle lammeren. 
17. Toen prezen en verheerlijkden deze drie mannen uit ťťn mond God in de oven die zei; 
18. "Gezegend zijt Gij Heer God van onze vaderen die voor altijd geprezen en verheven moet worden. 
19. Gezegend zijt Gij in de tempel van Uw heilige heerlijkheid, die de diepten aanschouwt, die op de Cherubijnen zit die voor altijd geprezen en verheven moet worden. 
20. Gezegend zijt Gij op de glorieuze troon van Uw koninkrijk te worden geprezen en verheerlijkt boven alles voor altijd. 
21. Gezegend zijt Gij in het firmament van de hemel boven alles om voor altijd geprezen en verheerlijkt te worden. 
22. O al uw werken van de Heer, zegen de Heer, en u engelen van de Heer en verheerlijke hem boven alles voor altijd. 
23. O u zon en maan zegenen de Heer, en u sterren van de hemel prijzen en verheerlijken Hem boven alles voor altijd. 
24. O jullie bliksem en wolken zegenen de Heer, en laat de aarde en de bergen en de Heuvels Hem prijzen en verheerlijken.
25. En u fonteinen van de Heer zegenen de Heer, en u zeeŽn en rivieren verheerlijken en prijzen Hem voor altijd. 
26. O jullie mensenkinderen en IsraŽl zegenen de Heer, en jullie priesters en dienaren van de Heer prijzen en verheerlijken Hem boven alles voor altijd. 
27. O Ananias, Azarias en Michael zegenen de Heer en verheerlijken en prijzen Hem voor altijd, want Hij heeft ons uit de hel verlost en ons gered van de hand van de dood. 
28. Hij bevrijdde ons uit de oven in het midden daarvan, uit een brandende vlam, zelfs uit het midden van het vuur, Hij verloste ons. 
29. O dank de Heer, want Hij is genadig, want Zijn barmhartigheid duurt eeuwig. 
30. O allen die de Heer aanbidden, zegen de Heer der goden, prijs Hem en dank Hem voor Zijn barmhartigheid duurt eeuwig.'